Er is al jaren een duidelijk genderverschil in criminaliteit: jongens zijn oververtegenwoordigd in de cijfers, zowel in aantallen daders als in herhaling (recidive). Meisjes zijn over het algemeen minder zichtbaar in criminaliteitsstatistieken en nemen minder vaak deel aan interventies dan jongens. Dit heeft te maken met verschillen in risicofactoren, sociale controle en de aard van hun crimineel gedrag. Daarnaast speelt de afstemming van interventies op de specifieke behoeften van meisjes een cruciale rol.
Factoren die verklaren waarom meiden minder zichtbaar zijn in criminaliteitscijfers
- Andere risicofactoren: Meiden vertonen vaker internaliserend gedrag. Zo lijken meiden gevoeliger te zijn voor relationele en omgevingsrisico’s, zoals problematische familiebanden, relationele problemen, emotioneel of seksueel misbruik, dan jongens. Onderzoek laat zien dat meisjes die delinquent gedrag vertonen significant hoger scoren op psychische klachten, trauma-ervaringen en verwaarlozing (Cauffman, Lexcen, Goldweber, Shulman, & Grisso, 2007; Odgers & Moretti, 2002; Slotboom, 2011). Jongens vertonen daarentegen vaker externaliserend gedrag zoals agressie en vechten (Fagan & Piquero, 2007).
- Sterkere sociale controle: Meiden ervaren vaak strengere sociale controle door familie, school en gemeenschap, wat de gelegenheid of motivatie tot crimineel gedrag beperkt (Chesney-Lind & Shelden, 2004). Daarnaast kunnen gendernormen en stigma’s ervoor zorgen dat overtredingen van meisjes minder vaak gemeld worden of minder zichtbaar zijn voor justitiële instanties (Hubbard & Matthews, 2008).
- Minder zichtbare delicten: Meisjes plegen relatief vaker delicten die minder opvallen, zoals statusdelicten of lichte diefstal, terwijl jongens vaker geweldsdelicten plegen die een hogere pakkans hebben (Zahn et al., 2008). Daarnaast vervullen meisjes vaker subtielere rollen waardoor de kans ook groot is dat zij minder opvallen en zichtbaar zijn voor politie en justitie (Slotboom & Van den Brink, 2023). Ook blijkt dat meisjes minder snel als verdachte in beeld komen, zelfs bij vergelijkbaar gedrag als jongens (Beerthuizen et al., 2023).
- Verschillen in arrestatie, verwerking en vervolging: Er is bewijs dat meisjes minder vaak worden gearresteerd voor vergelijkbaar gedrag en dat ze voor hetzelfde gedrag vaak lichtere straffen krijgen of alternatieve afdoeningen (Johansson, Kempf-Leonard, & LaFree, 2004). Dit vermindert de zichtbaarheid van hun crimineel gedrag in justitiële data.
Factoren waarom meiden minder vaak deelnemen aan interventies
- Interventies zijn vaak ontworpen op basis van mannelijke risicoprofiele. Veel bestaande programma’s zijn historisch ontwikkeld op basis van kennis over jongens, omdat zij vaker zichtbaar waren in de jeugdstrafketen. Daardoor ligt de nadruk in interventies geregeld op externaliserend gedrag, groepsdynamiek en agressieregulatie (Zahn et al., 2008; Hubbard & Matthews, 2008). Dit betekent niet dat interventies per definitie ongeschikt zijn voor meisjes, maar wél dat zij soms minder goed inspelen op behoeften die bij meisjes vaker voorkomen, zoals trauma-sensitieve begeleiding en relationele ondersteuning (Slotboom, 2011).
- Minder verwijzingen of zichtbaarheid: Meisjes komen vaak minder snel in beeld bij politie, scholen en hulpverleners, deels omdat hun problematiek vaker intern of relationeel van aard is. Daardoor worden zij minder vaak verwezen naar interventies die wél beschikbaar zijn (Chesney-Lind & Shelden, 2004). Recente bevindingen laten bovendien zien dat professionals gedrag van meisjes anders interpreteren, waardoor vergelijkbaar grensoverschrijdend gedrag soms minder snel tot een officiële registratie leidt (Beerthuizen et al., 2023). Dit beïnvloedt de kans dat meisjes in interventietrajecten terechtkomen.
- Weinig onderzoek naar effectieve interventies voor meisjes: Er is relatief weinig onderzoek naar interventies specifiek voor meisjes, waardoor er minder bewezen effectieve programma’s beschikbaar zijn (Zahn et al., 2008). Daarnaast is er überhaupt een tekort aan wetenschappelijk onderbouwde programma’s die gericht zijn op de unieke risicofactoren en behoeften van meisjes. Hierdoor blijven interventies vaak generiek en minder effectief voor deze doelgroep (Slotboom & Van den Brink, 2023).
- Beperkte toegankelijkheid van passende interventies voor meisjes: Meisjes met complexe problematiek — zoals een combinatie van trauma, relationele onveiligheid en beginnend delinquent gedrag — hebben vaak intensieve, geïntegreerde ondersteuning nodig. Programma’s die deze combinatie bieden, vragen doorgaans om gespecialiseerde infrastructuur, continuïteit van professionals en nauwe samenwerking tussen hulpverleningsdomeinen. In de praktijk zijn deze voorwaarden niet altijd aanwezig. Daardoor sluiten interventies niet altijd aan op de behoeften van meisjes, ondanks de intentie om passende ondersteuning te bieden. Daarnaast laten studies zien dat systemische barrières, zoals wachtlijsten, capaciteitsgebrek en versnippering van zorg, ertoe kunnen leiden dat met name meisjes minder snel toegang hebben tot programma’s die potentieel effectief voor hen zijn (Odgers & Moretti, 2002).
Meiden betrokken bij zware delicten
Hoewel de meeste meisjes minder zichtbaar zijn in criminaliteitscijfers, zijn er specifieke groepen die juist betrokken zijn bij zware criminaliteit zoals drugshandel of mensenhandel. Zo kunnen meiden betrokken raken als koeriers of tussenpersonen binnen drugshandel of mensenhandel, vaak onder druk of manipulatie van volwassenen (Wijkman, 2019; Slotboom, 2011) en hebben meiden met een geschiedenis van mishandeling, verwaarlozing, armoede of problematische gezinsrelaties een verhoogd risico op betrokkenheid bij ernstige delicten (Slotboom et al., 2012; Beerthuizen, Stoeldraaijers, Zeijlmans, Slotboom, & Van der Laan, 2023). Tot slot kunnen meisjes tegelijkertijd slachtoffer en participant zijn in criminele activiteiten, zoals bij seksuele uitbuiting en mensenhandel. Ze kunnen taken uitvoeren zoals het werven van nieuwe slachtoffers, het transporteren van drugs of het beheren van communicatie binnen netwerken (CKM, 2022; Nationaal Rapporteur, 2017).
Aanbevelingen
Meer gender-responsieve interventies ontwikkelen
Er is behoefte aan interventies die expliciet rekening houden met de specifieke risicofactoren en behoeften van meisjes, zoals trauma, gezinsproblematiek, hechtingsproblemen en relationele uitdagingen (Zahn et al., 2008; Slotboom, 2011). Dit betekent dat programma’s niet alleen gericht zijn op delinquent gedrag, maar ook op onderliggende kwetsbaarheden en persoonlijke contexten. Praktisch kan dit bijvoorbeeld worden ingevuld door:
- Traumagerichte behandelmodules of individuele begeleiding.
- Relatiegerichte therapieën, gericht op gezin, vrienden en sociale netwerken.
- Integratie van sociale vaardigheidstrainingen en copingstrategieën in reguliere interventies.
Vroeg signaleren buiten de juridische weg
Niet alle risicovolle meisjes komen vanzelf in contact met justitiële instanties. Daarom is vroegsignalering cruciaal. Scholen, gezondheidsdiensten, maatschappelijk werk en andere lokale organisaties moeten alert zijn op niet-juridische signalen van problematiek, zoals psychische klachten, schooluitval, sociale isolatie, relationele problemen of huiselijk geweld (Cauffman et al., 2007). Concreet betekent dit:
- Systematische samenwerking tussen professionals in onderwijs, zorg en jongerenwerk.
- Training van leerkrachten, schoolmaatschappelijk werkers en zorgprofessionals om signalen vroeg te herkennen.
Onderzoek versterken naar effectieve interventies voor meisjes
Veel bestaande programma’s zijn primair ontworpen voor jongens en zijn onvoldoende onderzocht bij meisjes (Hubbard & Matthews, 2008). Het is essentieel om wetenschappelijk onderbouwde interventies te evalueren en aan te passen voor meisjes, zodat bewezen effectieve aanpakken ook daadwerkelijk hun effect hebben op deze doelgroep. Concrete acties zijn:
- Onderzoek naar de effectiviteit van bestaande interventies bij meisjes, inclusief longitudinale studies.
- Ontwikkeling van nieuwe programma’s op basis van specifieke risicofactoren en beschermende factoren bij meisjes.
Verwijzingsprocessen verbeteren
Zelfs wanneer problemen worden gesignaleerd, worden meisjes soms onvoldoende doorverwezen naar passende interventies (Chesney-Lind & Shelden, 2004). Het verbeteren van verwijzingsprocessen betekent dat alle betrokken professionals op de hoogte zijn van beschikbare ondersteuning, en dat drempels voor toegang tot interventies zo laag mogelijk zijn. Praktische maatregelen zijn:
- Heldere protocollen voor doorverwijzing tussen onderwijs, jeugdzorg, politie en maatschappelijke organisaties.
- Regelmatige evaluatie van doorverwijzingen om signalen te verzamelen en te controleren of signalen daadwerkelijk leiden tot passende begeleiding.
Concluderend
Meisjes zijn over het algemeen minder zichtbaar in criminaliteitsstatistieken en interventies. Dit kan verklaard worden door onder andere de verschillende risicofactoren, sterkere sociale controle, minder zichtbare delicten en lagere pakkans. Tegelijkertijd is er een specifieke groep meisjes die juist betrokken is bij zware criminaliteit, zoals drugshandel en mensenhandel, vaak in ondersteunende of slachtoffergerelateerde rollen. Dit benadrukt dat één uniforme aanpak vaak niet voldoende is: meisjes kunnen andere risicoprofielen, ondersteuningsbehoeften en contextuele factoren hebben dan jongens en het is belangrijk om hier in interventies en begeleiding bewust rekening mee te houden.
Binnen onze organisatie verwerken we deze inzichten actief in onze trainingen, methodieken en dienstverlening. Zo zijn onze interventies gender-sensitief, met specifieke aandacht voor trauma, hechting, sociale kwetsbaarheid en relationele factoren. En zijn onze begeleiders getraind om vroegtijdig signalen van risicovol gedrag bij meisjes te herkennen en nauw samen te werken met betrokken partners zoals jeugdzorg, politie en maatschappelijke organisaties. Op deze manier kunnen wij gerichte, stabiele en consistente begeleiding bieden, zowel preventief als reactief, en voorkomen dat kwetsbare meisjes over het hoofd worden gezien.
Ook binnen onze preventieve methodiek, waarmee wij professionals door het hele land opleiden, besteden we expliciet aandacht aan de verschillen tussen jongens en meisjes. We bieden een helder handelingskader waarmee professionals specifiek kunnen inspelen op behoeften en risicoprofielen van meisjes. Zo dragen we bij aan een omgeving waarin alle jongeren – jongens én meisjes – de begeleiding en ondersteuning ontvangen die past bij hun unieke situatie en ontwikkelingsbehoeften.
